Brummel is gemeen

Deze wintermorgen schijnt de zon volop, maar het is nog behoorlijk koud. Oom gaat zoals iedere morgen naar zijn werk en Brummel zwaait hem uit. Al snel ziet hij oom achter de bomen verdwijnen. Brummel rilt van de kou en sluit snel de deur achter zich. Die kou iss niets voor hem en rap gaat hij weer op zijn favoriete plekje in de vensterbank zitten. Daar geniet hij van de warmte van het zonnetje en tuurt over het meer. In de winter varen er niet zoveel boten voorbij, maar als het straks weer lente wordt dan zal dat wel weer veranderen. Oom heeft hem verteld dat de mensen dan hun bootje uit de winterstalling gaan halen. En Brummel verheugt zich hier nu al op en hoopt dat de winter snel voorbij is.

Opeens wordt er op het raam geklopt en daar staat Elsje naar hem te zwaaien.
‘Hoi, hoi, daar is mijn vriendinnetje,’ en Brummel rent naar de voordeur om haar binnen te laten.
‘Ik ik,’ stamelt Elsje, ik mocht naar je toe. Papa heeft me gebracht en straks komt hij me weer ophalen. Vind je dat niet fijn Brummel?’
‘En of ik dat fijn vind. Kom laten we tikkertje of verstoppertje spelen.’
‘Nou nee Brummel, ik ga me hier niet meer verstoppen, maar tikkertje spelen, vind ik wel leuk. Tik jij bent hem,’ en samen rennen ze door de woonboot.
Toen ze moe waren gingen ze buiten op het dek zitten en zagen een grote boot langs varen.
‘Kijk Brummel, dat is een werkboot. Deze mannen controleren en repareren de dijken als ze stuk zijn.’
‘Wat is dat grote ding dat erop staat,’ vraagt Brummel.
‘Dat is een hijskraan voor het geval er hele zware dingen moeten worden opgetild. Dan tilt die kraan dat voor de mannen op’
Vol bewondering kijkt Brummel naar de werkboot. Eén van de mannen kijkt hun kant op. Elsje had hem al in de gaten en pakt Brummel op. Snel draagt ze hem naar binnen en zegt dat hij heel stil moet zijn. Samen gaan ze in de vensterbank zitten en Elsje zwaait uitbundig naar de mannen op de boot. De boot vaart langzaam voorbij en Brummel komt weer in beweging.
‘Laten we weer naar buiten gaan Elsje, ik weet iets heel leuks om samen te doen.’
Elsje volgt Brummel en ziet hem op een roeibootje afgaan.
‘We gaan roeien Elsje, dat vind je toch wel leuk?’
Nou Elsje vind er niets aan en zegt dat ze dat niet durft, wat als ze nu in het water valt, brrrrr!
‘Kom maar, jij roeit en ik wijs de weg,’ dringt Brummel aan.
Elsje twijfelt. Aan de ene kant vind ze het best spannend, maar aan de andere kant toch ook best eng.
‘Nee Brummel, als het misloopt mag ik misschien nooit meer met je spelen. Ik vind het eng. Ik kan trouwens niet zo goed zwemmen.’
Oh maar daar heeft Brummel wel een oplossing voor. Hij rent naar binnen en even later komt hij terug met een zwemvest. ‘Trek deze aan, mocht je in het water vallen dan blijf je hiermee drijven.’Zwemvest
Nog steeds vind Elsje het geen goed idee. ‘Brummel ik dacht dat je slimmer was. Ik ga echt niet met je roeien. Als er iets gebeurt dan, dan…,’ en ze denkt terug aan de dag dat ze in het drijfzand vastzat.
Brummel kijkt haar aan. Hij is het helemaal niet met haar eens. En laat zich langs de reling vallen en blijft stil liggen.
‘Als jij je zin niet krijgt, doe je meteen raar. Ik ga niet in die roeiboot en daarmee basta. Je bent een stoute beer en misschien wil ik niet eens meer je vriendinnetje zijn,’ zegt Elsje boos. Ze pakt Brummel op en draagt hem de woonboot binnen. Boos gooit ze hem in de kussens op de bank.
‘Moet je nou zo met me gooien. Je hebt me pijn gedaan. Ga maar naar je mama,’ roept Brummel nijdig.
Elsje heeft er genoeg van, trekt haar jas aan en loopt weg van de woonboot.
Brummel schrikt van Elsjes reactie en rent achter haar aan. ´Sorry, sorry, ik zal het nooit meer doen. Je hebt gelijk, ik ben een verwende beer. Blijf nou tot je papa je komt ophalen.’
Elsje kijkt Brummel bedenkelijk aan, maar besluit dan om terug te lopen. En samen gaan ze weer op hun lievelingsplekje in het raamkozijn zitten.
‘Je moet me beloven dat je me nooit meer iets wilt laten doen, wat ik niet mag. Beloof je dat?’
Brummel knikt en zegt plechtig dat beloof. Waarna hij zich op Elsje haar schoot nestelt.