Brummel en de eend die niet kan zwemmen

Elsje wandelt naar de woonboot en ziet Brummel voor het raam zitten. Driftig zwaait hij naar haar en blij roept hij. ‘Elsje is er, Elsje is er.’
Snel klimt hij van het raamkozijn en holt naar de voordeur. Oom heeft speciaal voor hem een touwtje aan de deurknop vastgeknoopt, zodat hij er alleen maar aan hoeft te trekken. De deur zwaait open en met gespreide armen verwelkomt hij Elsje.
‘Kom Brummel. Het is heerlijk weer. Laten we bij de eendjes gaan kijken, ze zullen vast wel honger hebben. Luister maar, ik hoor ze al van verre kwaken. Het lijkt wel alsof ze al dagen geen eten meer hebben gehad.’
Brummel kijkt haar aan en begrijpt niet waarom ze zo nodig die eenden moet voeren. ‘Ze hebben toch genoeg te eten, daar hoeven wij heus niet voor te zorgen hoor. Ze blijven van mijn honing af, als je dat maar weet!’
‘Natuurlijk, trouwens volgens mij lusten ze niet eens honing. Kom nou maar mee, ik heb van mama een zak met oud brood meegekregen. Hier, neem jij de helft,’ en ze verdeelt de inhoud over twee zakken.
Ze tilt Brummel op en loopt in de richting van de waterkant. De eenden kwaken, maar toen ze Krummel aan de kant levendig heen en weer zien springen, wordt het doodstil op het meer. Eén van de eenden zwemt moeizaam naar de kant, wipt aan de wal, blijft voor Elsje staan en vraagt. ‘Is die beer wel te vertrouwen?’
Elsje pakt een stukje brood, werpt het voor zijn snavel en zegt, ‘Ja zeker. Het is een hele lieve beer, soms wat eigenwijs dan is er geen gaar met hem te spinnen. Ik zou dus maar uitkijken als ik jou was. Nee hoor eendje, ik maak maar een grapje. Roep de anderen eenden maar. Ik heb bruin- en witbrood, zelfs brood met sesamzaadjes erop,’ maar opeens wordt Elsje stil en kijkt naar Brummel. Die is weer eens veel teveel met zichzelf bezig. Hij zegt niets en kijkt een eend na. Hij heeft wel vaker eenden gezien, maar deze eend is toch net iets anders dan de anderen. Voorzichtig doet hij een stapje vooruit en bekijkt de eend eens nauwkeurig. In gedachten wrijft hij met zijn pootje langs zijn kin, dat ziet hij oom ook altijd doen als hij nadenkt.
Elsje en hij kijken elkaar aan en even is het stil. Brummel haalt dab zijn schouders op en vraagt, ‘Waarom heb jij zwembandjes om je vleugels. Dat heeft een eend toch helemaal niet nodig?’
Verlegen buigt de eend zijn kop en kijkt langdurig naar de grond.
‘Ik ben ‘de eend die niet kan zwemmen’. Als ik mijn zwembandjes afdoe, kom ik met mijn snavel onderwater en dan verdrink ik. De man die daar op die woonboot woont, heeft me een keer gered, anders was ik zeker verdronken en toen heeft hij me deze zwembandjes omgedaan. Ik kan nu al iets beter zwemmen hoor, maar ik mag ze nog niet afdoen. Zodra ik echt kan zwemmen, mogen ze af. Kan jij zwemmen meneer beer?’
Brummel kijkt de eend aan en moet toegeven dat hij niet kan zwemmen. Hij heeft het ten minste nog nooit geprobeerd. ‘Nee eendje, ik kan ook niet zwemmen. Ik zou niet weten hoe ik dat moet doen. En ik weet ook niet wie het mij zou kunnen leren.’
Met bewondering luistert Elsje naar de twee. Het eendje is nu niet meer bang voor Brummel. Hij gaat voor Brummel staan en bekijkt hem eens heel goed. Wandelt rondom hem en gaat weer voor hem zitten. ‘Je mag mijn zwembandjes best wel een keer lenen hoor. Het is heel fijn in het water, echt waar,’ zegt de eend.
Brummel doet een paar stappen achteruit en gaat naast Elsje zitten. Elsje begint te lachen, wanneer ze ziet dat Brummel niets van water moet hebben.
‘Nee, dank je. Het is wel mooi weer, maar nog veel te koud om te leren zwemmen,’ roept Brummel naar ‘de eend die niet kon zwemmen’.
Kwaak, kwaak, kwaak,’ roept het eendje. Eet een paar stukjes brood van de grond en duikt terug het water in. De anderen eenden hebben zich rond Elsje verzameld en gretig werken ze het brood naar binnen. Brummel vindt het maar niets, neemt de zak met brood, keert hem om en laat het brood in de vijver vallen. De eenden in het meer vliegen er met een hels kabaal op af en met z’n alle duiken ze naar het brood.
‘1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, telt Brummel hardop en spring een gat in de lucht. En vraagt aan Elsje ‘welk cijfer komt na twaalf? ‘Dertien en veertien,’ en Brummel begint weer opnieuw te tellen.
1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14,’ Brummel kijkt naar Elsje die hem glimlachend aankijkt. Brummel is apentrots op zichzelf.
‘En nu wegwezen hier,’ fluistert hij in Elsjes oor. Neemt haar bij de hand en zegt dat hij terug naar huis wil. ‘Ik vind het maar niks in het water. Ook niet met zwembandjes. Dat vind ik zo´n stom gezicht’
Elsje begint te lachen en vertelt Brummel dat het echt niet zo gek is. ‘Ieder kind bij ons in de straat moet zwembandjes om als hij of zij gaat leren zwemmen. En als ze goed hun best doen, mogen na een poosje zonder zwembandjes zwemmen.’
Brummel luistert maar half en schopt uit verveling tegen de steentjes, die los op het pad liggen. De steentjes komen tegen Elsjes kuiten aan. ‘Brummel hou daarmee op! Dat doet pijn,’ maar Brummel wil niet luisteren en ze neemt hem bij zijn poot en sjouwt hem al slingerent met zicht mee.
‘Ik zal het niet meer doen Elsje, maar ik ga niet zwemmen. Je kan me wat. Laat me los. Ik zal heel lief zijn!’
Elsje pakt hem bij zijn middel en draagt hem zwijgend met zich mee. Samen gaan ze in de woonboot voor het raam zitten en Elsje kijkt Brummel doordringend aan. ‘Jij en zwemmen. Weet je wat jij bent. Je bent een schijtebroek. Je hebt gelijk, jij zal nooit leren zwemmen!’
Brummel haalt zijn schouders op, maar voelt zich toch in zijn eer aangetast, want een echte beer is niet bang voor water. Voor deze keer laat hij het er maar bij. Eens zal hij bewijzen dat hij wel het water in durft. Maar nu even niet.